vrijdag 21 november 2014

Beste mevrouw Christie

Voor een schrijfwedstrijd van een Nederlandse krant, schreef ik deze brief naar één van mijn lievelingsschrijfsters, Agatha Christie. Ik heb niets gewonnen, verwachtte dat ook niet, maar het was erg leuk om mee te doen.


Beste mevrouw Agatha Christie,

Dat ik u schrijf is niet gepland, maar een opwelling. Geen misdrijf met voorbedachten rade, maar in sommige ogen misschien een faux-pas. Ik schrijf hem namelijk met wat de Engelsen zo mooi een 'alterior motive' noemen. (Het Engels blijft voor mij de taal van de Britten, een feit dat u mij wellicht niet kwalijk zal nemen). Ik neem met dit schrijven immers deel aan een wedstrijd, wat sommigen misschien als een belediging zouden opvatten, maar u wellicht gewoon tot een nieuw mysterie zou voeren. Nadat u bijgekomen bent van het lachen. Maar wie weet of ik deze brief ooit echt had geschreven, mocht er geen wedstrijd zijn geweest? Dat zal altijd een mysterie blijven.

Laten we de ernst van deze epistolaire conversatie even onder de loep nemen. De brief is namelijk nog steeds aan u gericht, hoewel hij over enige tijd misschien in een krant afgedrukt staat (dan heb ik gewonnen), of op mijn weblog (dan heb ik niet gewonnen), waar ik de tekst ook op een lezend publiek zal loslaten.

Deze briefwisseling is bovendien erg onrealistisch. Om te beginnen is de tijd ons ongunstig. Geen normaal mens schrijft een brief waarop onmogelijk een antwoord zal komen - of er zou goddelijke interventie aan te pas moeten komen. U bent namelijk niet meer onder de levenden (of scherper geformuleerd: u ligt al een tijdje onder de zoden - een zeer jammer feit, mag ik wel zeggen.)

Bovendien zijn brieven - zoals u ongetwijfeld op dit moment fronsend bedenkt - erg persoonlijk en alleen voor de geadresseerde bedoeld (nog zoiets: ik heb uw adres helemaal niet!) en zeker niet voor vreemde ogen en al helemaal niet voor honderden ogen.

Maar goed, ik schrijf voort. Want uit de vele levende en dode bekenden heb ik ervoor gekozen om u te schrijven. Het wedstrijdreglement schreef een bekende persoon voor, dood of levend. Wees gerust, ik verwacht geen applaus, ik ben ook geen vervelende stalker, maar een oprechte bewonderaar van uw werk.

We zijn inmiddels bijna honderd jaar verder dan de tijd waarin u leefde en vertoefde. Ik vraag me af wat u zou vinden van de eeuw waarin ik nu leef. Welke mysteries zou u nu bedenken? Zouden zij nog steeds dat typische herkenbare aura bezitten van de legendarische auteur die u bent (het woord sterft immers niet!).

We zullen het nooit weten (en deze brief is gelimiteerd in woorden, mijn excuses.)

Met oprechte hoogachting,

Inge Misschaert

P.S. 1: Ik lees nu uw boek 'Agatha Christie Mallowan, speuren naar het verleden'. Mijn antwoord op uw voorwoord is: het is géén niemendalletje - en zeker geen teleurstelling.

P.S. 2: Ik hoop van harte dat u datzelfde gevoel hebt over mijn brief - waarvoor dank.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten