zondag 3 maart 2013

Gezichten van lang vervlogen tijden. Deel 1: Het banket


Het kasteel rees voor mijn ogen op als de ijsberg voor de Titanic. Ik had uren op het verlaten landweggetje gereden en was versuft door de heen en weer schietende ruitenwissers die zelfs op volle kracht de regen nauwelijks tegenhielden. Ik hing met mijn neus boven het stuur bijna tegen de ruit en concentreerde me op de weg voor me, al kon ik die nauwelijks zien. Ik had net een vlugge blik op de gps geworpen, toen ik plots de grijze bakstenen muur voor me zag opdoemen. Als een gek trapte ik het rempedaal in, dat als boter onder mijn voet wegzakte. Het was alsof ik in het niets trapte. De seconden leken trager weg te tikken dan ooit, maar toch voelde ik dat de remmen plots toch grip op het grind kregen en de auto gierend begon te slippen. Na wat een eeuwigheid leek kwam de auto met een schok tot stilstand. Mijn handen trilden en mijn hart bonkte in mijn keel. Ik hoefde niet uit de auto te stappen om te weten dat het nipt was geweest. Vijf centimeter verder en u had hier niets zitten lezen.
'U hebt uw bestemming bereikt', berichtte de gps metalig. Ik had kunnen zweren dat het ironisch klonk, maar dat was inbeelding.
Ik zakte opgelucht tegen de rugleuning. Ik was er. Heelhuids. De regen rammelde een deuntje op het dak van de auto. Ik zuchtte. Natuurlijk had ik geen paraplu. Het bordes was nog een vijf meter, maar ik was ervan overtuigd dat ik meteen tot op mijn vel doorweekt zou zijn.
Ik kreunde en sloot mijn ogen.
Ergens wist ik dat het niet de regen was die mij tegenhield. Ik opende mijn ogen. De regen was een dankbaar excuus om de confrontatie nog wat uit te stellen. Mijn ogen vlogen naar de passagiersstoel naast me, maar die was leeg. Waar was mijn handtas? Ik trok ze vanonder de stoel vandaan en viste er de uitnodiging uit.
Het jaarlijkse familiebanket. Het sierlijke handschrift was van mijn tante. Ze kon schrijven alsof het gedrukt stond. Ze kon ook liegen dat het gedrukt stond. Dat zei mijn moeder altijd, vroeger, heel vroeger, toen De Familie nog geen verzameling gezichten van lang vervlogen tijden was. Ze zei het met een schamper ondertoontje, bijna casual, maar met een venijnig knikje erin.
Daarbinnen stonden ze, De Familie.
Hierbuiten zat ik, in mijn aftandse auto.
Treuzelend, als een zesjarig wicht op de eerste scoutsdag. Gaan ze me leuk vinden, mama? Vast wel, lieverd. Niet dus.
Ik kon hun stemmen als georganiseerde bijen in een bijenkorf bijna horen zoemen. Waarom was ik hierheen gekomen? Tante stuurde mij elk jaar een uitnodiging, die luid en duidelijk zei: aanvaard ze niet, kind. Je hoort hier niet. Je bent niet één van ons. Je bent ...
Ik wist wat ik was. De ongenode gast, het buitenbeentje, de talk of the town, Het Schoolvoorbeeld van Hoe Je Vooral Niet Te Gedragen.
Ik, Esther.
Het Zwarte Schaap.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten