zaterdag 16 maart 2013

Bericht van tussen twee kaften


Sla mij open.

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben maar een boek, een hoopje lijm en papier. Mijn kaft is bovenaan een klein beetje beschadigd, omdat de doos waarin ik vervoerd ben uit de onhandige handen van een kruier gevallen is. Net in die hoek bevond ik mij. Wat mijn uiterlijk betreft, ben ik over het algemeen wel tevreden, dat is het niet. Maar bij boeken gaat het natuurlijk meer over de binnenkant, de inhoud.

En die inhoud is de taak van de schrijver, of in mijn geval de schrijfster. Waarom zij me per se eerst aan het woord wilde laten? Ik weet het niet. Is het een soort valse bescheidenheid? Wil ze graag opvallen? Of vond ze dat het goed stond, een voorwoord staat altijd goed. Het imponeert, neemt de lezer ietwat bedillerig bij zijn rode oortje vast en trekt hem het boek binnen. Mij goed, maar verwacht geen grote dingen van mij. Ik ben maar een simpel boek, een gehavende paperback. Voor wijze woorden moet je in de afdeling hardcover zijn.

Ik moet zeggen, ik begin dit voorwoord eigenlijk wel leuk te vinden. Als ik zin heb, kan ik het zo lang laten duren als ik wil. Tenzij de lezer afhaakt natuurlijk, dat is namelijk zijn recht. De lezer heeft het boek in zijn handen en het eerste wat hij doet is de achterzijde lezen. De zogenaamde flaptekst, waar rechtsboven een knappe foto van mijn schrijfster is geplaatst. De kreuk in mijn kaft raakt de foto net niet. Gelukkig maar.

En die flaptekst is echt goed, ik zou haast durven beweren net zo goed als dit voorwoord. Het zet lezers aan om het boek open te slaan, of liever vouwen, ik ben tenslotte een paperback. Zo komt er in al mijn nieuwigheid toch een kleine kreuk, een eerste fijne barst in de lijm. Mijn rug, die zich, naarmate het lezen vordert, verder zal krommen tot er een ribbelige holte ontstaat, wanneer het lezen op is. En dan klap ik niet meer zo eenvoudig dicht, mijn kaft en een paar blaadjes hangen in het luchtledige; zo stel ik me voor hoe het moet voelen om gelezen te zijn. Het lijkt me heerlijk.

Maar ik moet de lezer niet langer ophouden, de flaptekst heeft zijn werk gedaan, de lezer is gedreven genoeg om mij met begerige vingers open te slaan en mij pagina voor pagina mijn geheimen te ontfutselen. Gretig vliegen zijn ogen over de eerste woorden, de eerste zinnen, zorgvuldig door mijn schrijfster geconstrueerd met als hoogste doel de leeshonger verder aan te wakkeren. Wie is het personage aan het woord? Wat zal er gebeuren? Of juist niet?

Je hebt natuurlijk van die valsspelers die eerst het einde van het boek lezen, of de laatste zin. Ik probeer mij daar met al mijn kracht tegen te verzetten; hou mijn lijm strak gespannen, de pagina's willen niet blijven liggen, maar het mag meestal niet baten. De lijm geeft niet mee, maar kraakt omdat ze warm was toen ik ingebonden werd en dan lig ik daar, ontdaan van mijn waardigheid met een kapotte kaft. Een kraakpand met gebroken rug. Die lezers draai ik mijn rug toe, met al mijn waardigheid. De laatste zin is heilig, die mag je niet als eerste lezen, dat is alsof je na een moord een kerk binnenstapt.

Laten we er maar vanuit gaan dat mijn lezers gewoon vanaf de eerste zin lezen. En zoals ik al zei, die zin is zo goed geschreven, dat je meteen verder wil lezen. Alsof het lot mij wil tarten, begin ik met een vraag. Voor eeuwig ben ik dus vragende partij. De ogen van de lezer glijden over de letters van een zin die met "waarom" begint. Hoewel mijn leeservaring bewijst dat deze vraag tot verder lezen aanzet, gezien het tempo van mijn meeste lezers, begrijp ik het eigenlijk niet zo goed. Worden boeken dan niet geschreven om antwoorden te geven? Mensen zitten met een ei, lezen een boek en het ei barst open. Normaal gezien zou je dan ook verwachten dat je een antwoord krijgt. Maar mijn bladzijden geven het antwoord niet. Mijn eerste lezer keerde mij om en om en schudde mij zo hard door elkaar, dat ik dit voorwoord helemaal opnieuw kon gaan rangschikken en dat was best wel een karwei. Een ander wreef zo hard over het laatste blad, dat ik bijna scheurde. Hij dacht vast dat de bladzijden aan elkaar geplakt waren of zo. Nog eentje was zo gefrustreerd dat hij het antwoord niet kreeg, dat hij me zomaar in een hoek gooide. Gelukkig viel ik tegen de Dikke Van Dale aan, dat dempte de schok een beetje en ik kwam ongehavend uit het voorval.

Laatst kwam er een gedachte in me op die me schokte. Misschien besta ik wel uit meer dan één deel? En komt het antwoord dan pas in het volgende boek? Ben ik een tweeling? Of een drieling? Ik heb er het raden naar. De drukletters op mijn kaft zijn door de vele fijne barstjes afgebleekt en zelfs op sommige plaatsen helemaal verdwenen, het is moeilijk om te zeggen of er een nummer 1 op stond. Ik hoop toch dat ik nummer 1 ben; als ik al moet toegeven dat ik niet alleen sta, dan wil ik toch wel de eerstgeborene zijn.

Waarom heeft mijn schrijfster me toch dit voorwoord opgedragen? In het begin leek het me wel aardig om te doen, maar nu komen de vragen zo snel in me op, dat mijn hoofd tolt. Gelukkig ben ik niet met een dankwoord belast, want het lijkt me vrij waarschijnlijk dat je altijd wel iemand vergeet. Misschien zijn dat wel die laatste-zin-lezers, die kwaad meteen naar het eind bladeren om te zien of ze daar niet alsnog vermeld worden. Een opdracht staat er wel in. Mijn schrijfster was erg slim. Een opdracht is ook maar een gladde ijsbaan. Als zij haar hele familie of vriendenkring had moeten opnemen, dan was ik al voor de helft gevuld. Ze schreef heel cryptisch, net als mijn verhaal, dat met een vraag begint: "Voor jou."

Wie is 'jou'? Kijk, nu begin ik zelf al vragen te stellen. Het kan haar echtgenoot zijn, dat is een beetje saai misschien. Het kan ook een vriendin zijn, een kennis, een familielid. Een minnaar misschien? Mijn verhaal gaat over een verboden liefde, misschien is het dat? Een kleine cursieve hint naar de histoire, die zich veelbelovend over mijn pagina's uitspreidt. Mij is opgevallen dat lezers die me niet meteen bij de staart grijpen, in veel gevallen eerst de opdracht lezen. Het is ook een beetje voyeuristisch, ik moet toegeven dat ik ook meteen gekeken heb. Is er een soort nieuwsgierigheid die ons drijft? Een onderdrukt big brothergevoel dat ons allemaal wel eens besluipt? Fluisterstemmen die juist zoveel aantrekkingskracht vertonen, omdat je net niet gehoord hebt wat ze zeiden. We voelen ons op dat moment allemaal een beetje aangesproken door de auteur, die mysterieuze figuur die in onze verbeelding urenlang op de meest onmogelijke plekken op zijn pen zit te kauwen om die laatste plotwending toch maar goed op het papier te krijgen. Een echte pen, geen computer, hoewel de werkelijkheid vaak anders is.

Zou er al een auteur geweest zijn, die zijn boek aan zichzelf heeft opgedragen? Je weet maar nooit, er kruipen uren genoeg in het schrijven. Leve mezelf omdat ik het boek afgekregen heb, lijkt me wel een goede opdracht. Maar dat soort boeken begint niet met een vraag. Deze narcistische figuren hebben meestal een hele rij bestellers op hun naam staan, bezitten een warrige bos lang haar, of juist helemaal geen, en af en toe een baard. Ze lachen in hun vuistje om zoveel onzin in hun verhalen; om de zoveelste literatuurprijs die ze toegestopt krijgen, om de zoveelste politieke blunder in het maatschappelijk leven, want dan hebben ze weer stof om te schrijven.

Gelukkig behoort mijn schrijfster daar niet toe. Mijn trots gebiedt me toe te geven dat ik eigenlijk gehoopt had op een harde kaft; geen luxe-editie, maar gewoon een harde kaft, met stof overtrokken, en dan een extra papieren cover als bescherming. Dan staat de flaptekst meestal ook binnenin, wat nog een geheimzinniger gevoel geeft. Nu geef ik mijn inhoud achteraan bloot. Alsof ze een briefje op je rug plakken met "Schop mij", of dergelijke onzin meer. Het ontbreekt er nog aan dat er een houdbaarheidsdatum aan toegevoegd wordt. Een barcode staat er wel, die dan meestal nog erg ontsierend is.

Voor ik nog wat over mijn inhoud vertel, moet er mij nog één ding van het hart. Begrijp me niet verkeerd, het is niet slecht bedoeld. Vaak zijn lezers zodanig in de ban van een boek, dat ze niet met lezen kunnen ophouden. Dat is normaal, een boeiend verhaal laat je immers niet zomaar los. Maar dan gilt het fluitketeltje, of moeten ze aan het werk, of schreeuwt er ergens een kind, of worden ze door nog wat anders uit mijn wereld gerukt en hop! Daar word ik al aan de kant gegooid, met mijn kaft wijd open, omdat een boekenlegger meestal verre van voorhanden is. Zelfs een kassaticket van de wekelijkse boodschappen zou ik nog beter verdragen tussen mijn bladzijden, dan zo'n grove behandeling. En dan heb ik nog eens iets non-fictie om te lezen.

Stel je eens voor dat je urenlang met je benen gespreid moet zitten, zonder pauze, zonder rust, zonder enige hoop op verandering van die toestand? En dan mag ik al blij zijn als mijn pagina's netjes onder mijn kaft liggen, sommige boeken krijgen daarvan een ezelsoor. Ezelsoren zijn littekens, een boek dat daarmee belast is, vormt een smet in de boekenkast. Tussen twee alinea's door, wilde ik dat nog even kwijt.

En dan nu over de inhoud, zoals beloofd. Het verhaal is eigenlijk erg boeiend, ik schrok ervan dat ik mezelf zo snel uit had. Het begint met een vraag …

Hoe? Wat? Hoe kan dat nu? Mijn pagina's op, zeg je? Maar … Er is dus niets aan te doen? Tja, dan moet ik nu afscheid nemen.

Ik klap nu dicht.

copyright: Inge Misschaert

Geen opmerkingen:

Een reactie posten