woensdag 20 februari 2013

Nicole

John George Brown

'Ik vind dat schoon,' smakt ze.
Ze kan niet eten zonder smakken.
Aan haar linker mondhoek - vanuit mijn standpunt - hangt een klodder crème fraîche.
Ze likt ze er niet af, maar bijt nog een enorme hap uit de roomsoes.
Ik leun achterover en bekijk haar eetlust afstandelijk.
Alsof ik een toeschouwer ben.
Ik ben geduldig.
En ik ben een goede observator. Ik kan tot in de kleinste details voorspellen hoe het verder zal gaan.
Een: ze likt de klodder pas weg als de soes helemaal op is.
Twee: ze schraapt met haar vork het bord schoon, tot iedereen fronsend opkijkt en dat stoort haar niet. Daarna glijdt ze met haar wijsvinger over het porcelein tot alles weg is.
Drie: dan smakt ze nog een keer met haar lippen en grijnst. Niet naar mij, maar naar het lege bord.
Vier. Dan pas weet ik zeker dat ze verder praat. Dat ik te horen zal krijgen wat ze schoon vindt.
Haar ritueel stoort me niet en terwijl ze het smakkend en likkend afwerkt, -

Als ik geconcentreerd ben, klinkt alles harder.
Het gehijg van de verwarming.
Die ene lastige mug, die nog verder zoemt, lang nadat ik haar doodmepte.
De rust is ver te zoeken nu. Ik kan ze nog wel zien, want iedereen lijkt ze te hebben. Alleen lijkt ze voor mij onbereikbaar. Onvatbaar.
Door dat ene.
Dat ene wat er morgen heel zeker weten niet meer is.
Nu is de redelijke kant van mijn gedachten aan het woord.
De onrede verzint visioenen van wekenlange ellende in mijn hoofd.
Geen minuut rust, tot het bonkt en uiteen splijt en er geen plaats meer lijkt voor niets, laat staan iets.
Dan maar zo, mompel ik.

Maar het gaat al veel beter, dank u.
De wanhoop laat zich in de ogen kijken.
De problemen hak ik moeiteloos in kleine stukjes, lang niet meer zo erg dan.
Het had allemaal veel erger gekund, veel -

'Ik vind dat schoon,' zegt ze.
De roomsoes weg, het bord proper.
Haar blauwe ogen in de mijne.
'Dat de zon verdwijnt en dat blauwig-zwarte van de nacht.
En in mijn venster verdwijnt de wereld.
Weg, foetsie.
En toch, ik zie mezelf dan weer.
Niet zo hard als in een spiegel.
Schoner, gelijk de nacht.'

Ik knik.
De verwarming hijgt nog steeds.


Copyright: Inge Misschaert


Geen opmerkingen:

Een reactie posten