zaterdag 16 februari 2013

Katie

Ik doe alsof ik een boek lees. Er hangt een erg vreemde geur in de coupé, daarom heb ik wat parfum op een zakdoekje gesprenkeld en dat hou ik af en toe tegen mijn neus. De geur leidt me niet af en het boek ook niet. Ik doe al de hele tijd alsof ik lees en vraag me af of zij dat doorheeft. Of iemand dat überhaupt doorheeft. Ik lees zo geconcentreerd mogelijk niet, doe alsof ik helemaal in de ban ben van het verhaal. Het leven van Pi. Het zal wel mooi zijn, het is immers verfilmd, ik heb de posters daarnet nog in de stationshal zien hangen. Over een man en een tijger in een boot.
Maar op dit ogenblik is zij de enige die mij boeit. Een vrouw in een treincoupé. En dus werp ik af en toe een blik op haar, als ik denk dat ze het niet ziet. Helemaal zeker ben ik natuurlijk niet, dat ze me niet ziet kijken. Misschien heeft ze wel begrepen dat ik niet lees. Maar ze kan helemaal niet weten dat ik hier ben omdat zij hier is. Dat in mijn tas de brief ritselt die ik van haar kreeg.
Die naaldhakken zijn prachtig. Ik wou dat ik die dingen met evenveel gemak kon dragen. En dat mantelpakje zit haar als gegoten. Ik wed dat zij zo'n vrouw is die nooit zweetplekken onder haar oksels krijgt, je hebt zo van die mensen. Ik niet dus. Ik ben hard aan een douche toe, maar ik moet volhouden. Als zij zo op haar gemak kan zitten, dan ik ook.
Ik sla een pagina om, maar in werkelijkheid kijk ik naar het raam waarin ons spiegelbeeld zichtbaar wordt. Dat van haar en dat van mij.
Ze fronst en kijkt naar de jongen die achter mij zit. Ik moet me hoeden dat ik haar blik niet volg: ik lees immers. Misschien vindt ze zijn muziek te hard? Ze ziet er wel uit als een type dat zich daaraan stoort.
Mijn voet slaapt. Ik wiebel met mijn tenen, maar het wordt alleen erger. Ik zou op blote voeten moeten rondlopen, maar dat kan hier niet. Een giechel ontsnapt bijna, ik kan hem nog net maskeren door een kuchje. Ze kijkt op, haar blik fladdert eventjes over mij, ik voel haar kijken, mijn ogen strak op het boek gericht en dan zie ik in de ruit dat ze naar buiten kijkt.
In de weerspiegeling van de ruit kan ik haar gezicht beter observeren. Haar ogen, want dat is het eerste waar je naar kijkt in een gezicht. Ik kan de kleur niet zien. Zouden ze grijsblauw zijn, als die van mij? Haar neus, haar mond, haar kin. Haar lippen. Ik zie niets dat ik herken.
Ik weet alleen dat ze mijn zus is.

En dan raakt haar blik de mijne.

copyright: Inge Misschaert

Geen opmerkingen:

Een reactie posten