zondag 17 februari 2013

Batavus


Batavus Botanus is mijn naam en vanaf vandaag vertegenwoordig ik de wet in al haar fascinerende facetten. Het uniform, het pistool, de riem en de kepie en vooral het notaboekje boetebonnen zullen mij vanaf vandaag net zo eigen zijn als krijt dat voor een schoolbord is.
Twee grote mannen zijn mij voorgegaan: onze pa zaliger, Ambrosius Botanus en onze Grandpère zaliger, Hippoliet Botanus. Ik was zo'n klein baaske van een jaar of vijf dat al een echt uniformke had, met kepie en al, vol bewondering voor de reproductie van een schilderij van Wilhelm II in uniform dat in de hal naast het toilet hing. Daar stond ik dan voor te salueren en voelde me van trots bijna uit elkaar barsten.
Ik sta voor de spiegel in de voorplaats van ons herenhuis, te blinken als een gieter, terwijl ons ma glunderend denkbeeldige stofjes van mijn vest veegt, met zo'n ouderwetse kleerborstel. Als ze klaar is met poetsen, salueer ik alsof ik naar het leger ga.
'Jongen toch,' straalt ze weer en ze wil bijna weer met de borstel aanvallen.
Glimlachend houd ik haar tegen.
'Ik moet gaan.'


Op mijn fiets bol ik door de nog stille straten. Het is de fiets van pa zaliger, om het helemaal af te maken. 'Mijnen trapezel,' grapte hij altijd. Ik weet niet meer hoe vaak onze Balthazar de banden platgezet heeft. Het gevloek en geketter was tot aan het kapelleken van Maria te horen. Nooit heeft hij Balthazar en mij gevonden, maar een paar keer heeft het niet veel gescheeld. Helemaal niet veel.
Als ik daaraan terugdenk, voel ik mijn billen samenknijpen. De matrak werd door onze pa thuis met grote regelmaat bovengehaald, maar hij sloeg er nooit mee. Hij vloekte het hele huis bij elkaar, maar slaan deed hij niet. Ons ma nam dat voor haar rekening. Met de palm van haar hand vlak op onze blote billen, net daar waar het het meeste zeer deed. Moeders weten exact waar dat zit, dat plekje. En wij maar in het rond springen, als twee blote kikkers om die hand maar te ontwijken.
En daarna, twee frisgewassen knapen, net uit de tobbe, bij pa om vergiffenis gaan vragen. Als we braaf waren, mochten we de kepie eens dragen, beloofde hij.
Grandpère smakte eens aan zijn pijp en lachte stil voor zich uit, terwijl wij op muizenvoeten naar boven slopen en zij brommend bij de gloeiende stoof de wereld in vorm kneedden tot hij weer draaide zoals hij moest draaien: gelijk in den ouwen tijd. Daarna klopte Hippoliet zijn pijp uit en ging slapen. Morgen weer boeven genoeg om te vangen.

Aldus in mijmeringen gevangen, fiets ik verder door een grijze straat, die nog niet door het ochtendgloren bevrijd is van de duistere nacht. De huizen lijken als donkere schaduwen tegen elkaar te leunen, alsof ontwaken moeite kost, net als hun bewoners. Bij twee huizen staan voertuigen fout geparkeerd, merk ik op, en bijna automatisch knijp ik de remmen dicht. De fiets komt geruisloos tot stilstand en ik haal mijn beruchte boekje boven, mijn pen in de aanslag. En dan, terwijl ik de bekeuringen in alle peis en vree uitschrijf, komt de zon op en lijkt met haar stralen mijn daden te bevestigen. Een golf van trots overspoelt mij en als ik het gele strookje papier onder de ruitenwissers schuif, overvalt me een geluk waar mijn borstkas te klein voor lijkt. En ik moet moeite doen om niet daar en dan terstond in tranen uit te barsten, alsof ik weer voor dat schilderij van Wilhelm twee sta en stijf als een plank salueer.
De zon aait de laatste restjes kilte van mijn hoofd en dan fiets ik verder, op weg naar een betere, veiliger wereld, de brommende stemmen van onze pa en Grandpère als altijd in mijn hoofd.

BB

copyright: Inge Misschaert



1 opmerking: