vrijdag 15 februari 2013

Ada


Woman in train car, Charles Frederic Ulrich.
De stank op de trein is niet te harden. Verstolen gluur ik om me heen. Ik kan niet zien of de andere passagiers er zich even erg aan storen. Verwoed probeer ik niet door mijn neus te ademen, maar dat helpt niet veel. Het mantelpakje dat ik heb aangetrokken, zit veel te strak. Ik met mijn opwellingen ook, denk ik somber. Mijn buikspieren janken en mijn voeten gillen in die veel te hoge naaldhakken. Als de trein straks aankomt, koop ik meteen andere kleren, al was het een joggingpak met een paar sneakers. Een slungel met afgezakte broek luistert naar dancingmuziek. Een man in een pak tokkelt op een tablet. Ik probeer me hen andersom voor te stellen. Het lukt niet erg. En de geur verdwijnt er niet door. Het ruikt naar koude frieten, naar oud en goor.

Ik kijk opzij. De vrouw schuin tegenover me zit al uren boven een boek. Ze doet alsof ze leest, ik ben er zeker van en ik vraag meteen af waarom. Zit hier misschien iemand die ze kent? Die ze in de gaten houdt? De vrouw slaat langzaam een pagina om en kijkt even op.

Onze ogen kruisen elkaar. Ik glimlach, betrapt, maar de vrouw lacht niet terug. Enkele seconden staart ze in mijn ogen, dan buigt ze zich weer over haar boek. Wat ongemakkelijk wend ik mijn ogen af. Altijd vreemd als mensen niet teruglachen. Ik wou dat de rits van mijn rok kon openzetten. Mijn schoenen door het raam gooien en met mijn tenen wiebelen. Ik snuif. Maar het raam gaat niet open en de stank is nog even vreselijk. Van zo lang niet door mijn neus te ademen, krijg ik ademnood.

Er gaat een rilling door de trein, schokkend komt hij tot stilstand. Het begint te schemeren, wat de coupĂ© nog ongezelliger maakt. Er stappen meer mensen af dan daarnet. Ik kan de naam op het bordje langs de spoorweg niet lezen. De boemel doet er al uren over, straks slaan de twijfels weer toe en dan keer ik terug, dat weet ik gewoon. Boven mijn hoofd ligt mijn tas, hij lijkt belachelijk klein in het rek. Ik kan nog terug. Uitstappen en een enkeltje terug kopen. Gewoon mijn tas uit het rek grissen en ik ben weg. Mijn spieren spannen zich onwillekeurig. Maar dan schiet de trein met een schokje weer vooruit en het moment is voorbij. Ik moet vooruit. Doorgaan, waarmee ik begonnen ben.

Huizen en daken, muurtjes en struiken zoeven voorbij, tot het landschap zich openvouwt. Nu is het wel leuk om naar buiten te kijken. De vrouw tegenover mij vindt dat vast ook, denkt ze, ze zit nu al een tijd niet meer in het boek te kijken. Ze staart langs mij heen naar het raam. Het valt me op dat ze bijna niet met haar ogen knippert, je hebt zo van die mensen. Cilla van op kantoor heeft zelfs geen wenkbrauwen.
 
In de weerspieging van het raam hou ik de vrouw in de gaten. Ze blijft staren en weinig knipperen. Het duurt tot de trein weer stopt tot ik besef dat ze niet naar buiten kijkt.
 
Ze kijkt naar mij.


© Inge Misschaert

Geen opmerkingen:

Een reactie posten